Het zand nestte zich tussen mijn tenen. Ik was nog nooit naar het strand met m’n moeder geweest. Normaal gesproken als ik haar bezocht gingen we naar het park of fietsten we wat door de stad, met mij voorop haar fiets, met mijn ogen als navigator.

Deze keer daarentegen nam ze me mee voor een treinreisje naar het strand, ergens midden in de week op een dag in mei. Ze rook bijzonder, een mix van wat rozige parfum en sigaretten. Haar huid had iets merkwaardig vertrouwelijks, met de wat bleke teint.

Thuis rook het altijd naar vers brood, we woonden boven een bakkerij. Maar die dag toen mijn moeder me kwam ophalen realiseerde ik me voor het eerst dat zij, ondanks haar sigaretten, eigenlijk lekker rook, en dat kwam niet alleen door de parfum. Voor het eerst in m’n leven voelde ik een verwantschap, en meer dan ooit was ik geïnteresseerd waar mijn moeder ons naar toe bracht.

Ze moest zo nodig een treinstel kiezen waar gerookt werd en gevuld was met grote mensen. Mijn beleefde kuchjes bleven onopgemerkt totdat de duinen zich aandienden achter de wolken. Mijn moeder begon met praten, iets over toen ik nog een baby was of zo, maar mijn aandacht trok naar het raam waar een plaatje in stond van een hand die een fles vasthoudt met een rode streep erdoor.

We liepen van het station langs wat betonnen kubus-achtige woningen naar het strand en ik begon richting het water te rennen, door het zand, waar ik mijn sandalen achterliet. Ik was wel ‘ns eerder naar het strand geweest, alleen niet hier, en niet met mijn moeder. Langzaam deed ze haar slippers uit en liep ze door het zand glimlachend naar mij toe.

Ik rende naar de zee, eerst koud, maar ietsje warmer na een soort dansje. Ik zag mijn moeder aan de oever staan. Ik keek terug naar het water. De zee had een verloop van een donkerbruine kleur bij m’n voeten, onderbroken door wat crèmekleurige golven, tot een donkerblauwe kleur, abrupt onderbroken aan de horizon. Daarboven, een lichtblauwe lucht die toekijkt met wat lachende zeemeeuwen, vliegend in formatie voor een indrukwekkend leger van wolken.

Ik liep terug naar mijn moeder die nog in het zand stond een sigaret te roken. Ze leek naar me te kijken maar haar blik was afwezig, rimpels boven de wenkbrauwen, onbeweeglijk, schijnbaar in diepe gedachten verzonken.

Ze begon weer te praten, maar ik merkte dat mijn voeten al het zand hadden geabsorbeerd en kleine balletjes van zand begonnen zich te vormen op mijn huid die ik zachtjes weg kon wrijven. Af en toe stopte m’n moeder met praten en ik keek haar aan, met haar aderen zichtbaar door haar dunne huid en haar blonde haren, net als die van mij.

 

©2017 David Enker
Original English version (2013)